skip to Main Content

Dankbaarheid heeft een genezende werking. En als het een genezende werking heeft tussen mensen onderling, hoe genezend zal het dan wel zijn tussen God en de mens. Als het al genezend werkt in mijn hart, hoe genezend moet het zijn in het diepst van mijn ziel, daar waar alleen God bij kan.
C1992DHJ28C

Eucharistieviering te Pijnacker, Jongerenmis, door kapelaan Michel Hagen.

Lezingen

E.L.: 2 Koningen 5,14-17
Ps.: 98 (97), 1, 2-3ab, 3cd-4
T.L.: 2 Timoteüs 2,8-13
All.: Matteüs 11,25
Ev.: Lucas 17,11-19

Homilie

Verleden week was ik even bij kennissen die een dochtertje hebben dat nu wat begint te lopen en te praten. Een van de eerste dingen die het leert van vader en moeder en van haar grotere zussen is, dat als het iets wil hebben, het even “da” moet zeggen. Het is wonderlijk om dan te kijken hoe dat in zo’n kind werkt. Want er zit een stukje weerstand. Het wil geen da zeggen. Eerst da. Dan draait het zich om. Daarna volgt heel dat spel tussen een volwassene en een kind om het te leren dat het niet alles op kan eisen maar dat het eenvoudig “dank je wel” moet leren zeggen.

Een ander geval betrof een eigenaar van een grote onderneming die geregeld een zakenlunch hield met andere directeuren. Steevast zagen ze hoe hij voor en na de maaltijd even een kruisteken maakte. Toen een van de anderen hem een keer alleen sprak kwam het hoge woord eruit. Waarom dank jij bij je eten; je werkt er toch voor, dat heb je toch zelf verdient. Het antwoord was even doeltreffend als eenvoudig. Dat ik besta heb ik niet verdiend, dat ik een goed verstand heb, heb ik niet verdiend, dat ik hier in het rijke westen geboren ben heb ik niet verdiend, dus ook niet dat ik iedere dag te eten heb. Dat is reden genoeg om God even te bedanken. Hoe vaak, of hoe weinig zeggen wij “dank U wel, God”.

In de lezing over de melaatsen horen we hoe het in feite meestal gaat. Ook nu nog. Stel dat u in het ziekenhuis werkt, op de afdeling kraamzorg. Er zijn dikwijls blije gezichten en veel mensen zeggen geregeld iets als “dank u wel zuster”, maar op een morgen komt een Marokkaanse vader met een grote mand Marokkaanse specialiteiten. “Zuster dat is voor u, ik wil u even dank u wel zeggen omdat u zo goed voor mijn vrouw en de baby gezorgd hebt.” Dan valt het ineens op dat veel Nederlanders al die zorg gewoon vinden, vanzelfsprekend, daar heb je recht op, daar ben je voor verzekerd, daar heb je voor betaald.

Wat is het vaak een verademing, wanneer iemand oprecht dankbaar is. Je kunt denk ik met recht zeggen dat dankbaarheid een genezende werking heeft. En als het een genezende werking heeft tussen mensen onderling, hoe genezend zal het dan wel zijn tussen God en de mens. Als het al genezend werkt in mijn hart, hoe genezend moet het zijn in het diepst van mijn ziel, daar waar alleen God bij kan.

Jezus verwijt de melaatsen de gewone dankbaarheid. Zij draaiden zo om zichzelf heen, dat niet Jezus, niet God, niet de tempel, niet de anderen belangrijk waren, maar alleen zij. In de dankbaarheid blijkt of je in jezelf gevangen blijft of dat je een open mens bent, open voor God en open voor je medemens.

Negen van de tien melaatsen vonden het wel best zo, zij waren genezen en de ander, God was alweer vergeten. Een van de tien, een Samaritaan, één waar je het niet zo vlug van verwacht, kwam terug om te bedanken, en hoe; hij wierp zich aan Jezus voeten. In deze tijd zou dat betekenen dat hij hier de kerk inloopt, helemaal naar voren, met het gezicht naar het tabernakel, en dan op de grond neerknielt met het hoofd diep omlaag om zo alle dankbaarheid voor God uit te drukken.

Dankbaarheid werkt genezend. Iets daarvan merkten de jongeren zelf toen zij deze Mis aan het voorbereiden waren. Ze probeerden eens hoe het zou zijn als je bewust “dank je” zou zeggen als iemand iets voor je deed. En ze ontdekten hoe positief dat werkt.

Ik sluit met de vergelijking van de twee vissen.
Er waren eens twee vissen. De een vertelde over het water dat zo kostelijk was, hij was een dankbare vis omdat het water je leven geeft, omdat het je draagt, en je te eten geeft en zoveel meer.

De andere vis vond dat allemaal flauwe kul. Water, dat bestaat niet. Ik zie geen water. Ik ben ik. Er is niets dat mij draagt. Ik moet zelf zwemmen. er is niets dit mij voedt, ik moet zelf op jacht naar mijn eten. Dankbaar zijn voor het water. Laat me eerst dat water maar eens zien.

Op een dag zal er een visser langs de waterkant. Een korte tijd lag de vis op de kant te snakken naar adem. Hij kon zich niet verroeren op het droge. Totdat hij weer werd teruggegooid. Terug in de vijver zocht hij zijn vriend op en zei. Nu weet ik wat het water is. Nog nooit ben Ik zo dankbaar geweest als toen ik terugkwam in het water. Dal geeft mij leven en voedsel. Dat draagt mij. Dank U wel. dank U wel.

Back To Top