Ga naar hoofdinhoud

Alleen wijzelf kunnen ons hart in de juiste gesteldheid brengen. Een werkelijk zondebewustzijn is noodzakelijk. Want ieder die zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verheven worden’.
C1998DHJ30C

Preek in de parochiekerk van de H. Bartholomeus te Poeldijk, pastoor M.P.J. Hagen. A.M.D.G.

Lezingen

E.L: Sir. 35, 12-14. 16-19
EV: Lc. 18, 9-14

Evangelie

Toen vertelde Jezus enkelen die, zelfverzekerd over hun eigen rechtvaardigheid, anderen minachtten, deze vergelijking:
“Twee mensen liepen op naar de tempel om te bidden, de een was een farizeeër, de ander een tollenaar. De farizeeër ging staan en bad: ‘O, God, ik dank U, dat ik niet ben als de anderen, rovers zijn het, onrechtplegers, mensen die het huwelijk breken, en ook niet zoals die tollenaar daar. Tweemaal per week vast ik en van al mijn inkomsten geef ik tien procent af’. De tollenaar bleef op afstand staan. Hij wilde zijn ogen niet op de hemel richten maar sloeg zich op de borst en zei: ‘O, God, ik ben een zondaar. Wees mij genadig!'” Ik zeg u: ‘Deze ging gerechtvaardigd terug naar huis. Die ander niet. Want ieder die zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verheven worden’. (Vertaling: Paul Odijk)

Homilie

Een tempel. Een paar gelovigen die komen bidden. Ze komen en na een poosje keren ze weer naar huis terug. Er is iets gebeurd. Een tafereel 2000 jaar geleden en nu, in het Oosten, het Westen of waar ook, het is overal hetzelfde tafereel. Een kennis van mij die deze dagen in Mexico en Guatemala is geweest, vertelde hoe hij onder de indruk raakte van een Indiaanse vrouw, die in een bedevaartplaats – te midden van rondlopende toeristen, flitsende camera’s en een rumoerig gemompel – volkomen in gebed was. Neergeknield, de handen voor het gezicht, alsof er op de wereld niets meer was, dan alleen zij en God.

Een vergelijking van Jezus over biddende mensen. De vorige zondag sprak Jezus ook over bidden: Bidt altijd was zijn advies. De kinderen van de kinderwoorddienst hadden toen een klok gemaakt zonder wijzers. Om te bidden hoef je niet op de klok te kijken.

Vandaag wijst Jezus niet op hoe vaak of wanneer, maar op de binnenkant van ons gebed. Als we naar zijn vergelijking kijken en ons afvragen wie van de twee we het sympathiekst vinden, dan zouden de meesten waarschijnlijk zeggen: die tollenaar, die is aardiger. De farizeeër vinden we al snel hooghartig, zelfingenomen en protserig. Die tollenaar lijkt eerder bescheiden, eenvoudig en oprecht.

Maar is dat zo. Die tollenaar werd door de hele stad met de nek aangekeken. Het was een NSB-er, een die een vuil spel speelt met de bezetter, een die zich rijk maakt via de belasting van anderen. Een tollenaar is absoluut geen voorbeeld van een mensenvriend, bescheiden, eenvoudig en oprecht. Hij is het tegendeel. Maar bij al zijn tekorten heeft hij ook een goede kant. Tegenover God doet hij een stap terug. Tegenover God beseft hij zijn tekorten en schaamt hij zich over zijn doen en laten.

Die farizeeër is een man van aanzien. Waarschijnlijk iemand die door velen wordt gewaardeerd. Hij geeft gul aan goede doelen, wie van ons haalt de tien procent van zijn inkomen? De tempel kan reken op zijn steun, hij houdt zijn woord als hij iets belooft, leeft naar de bedoeling van God. Maar hij heeft daarbij één duidelijke zwakte: Hij is tevreden over zichzelf.

Dit verhaal is een spiegel voor ons allemaal. We lopen het gevaar te denken dat wij niet hooghartig, zelfingenomen en protserig zijn. Maar toch zullen ook wij eerder geneigd zijn te bidden als de farizeeër dan als de tollenaar.

Een voorbeeld. In de oude liturgie baden we het confiteor. Dat werd tweemaal gebeden. Een keer door de priester en de andere keer door de anderen. Dat was in het Latijn en niet ieder volgde daarbij de Nederlandse tekst. Het werd soms vrij snel gebeden. Maar sinds we het vertaald hebben en we weten wat we zeggen: door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld, stuit het onverwacht op weerstand.

Weet u nog welke houding men dan aannam. Vanouds bogen de gelovigen daarbij het hoofd, en klopten op de borst. Met dit Evangelie weet u waar het vandaan komt: “De tollenaar bleef op afstand staan. Hij wilde zijn ogen niet op de hemel richten maar sloeg zich op de borst en zei: ‘O, God, ik ben een zondaar. Wees mij genadig!'”

Er is de laatste jaren een weerstand gegroeid tegen het woord zonde. Mensen noemen zich niet graag een zondaar. Ze voelen zich dan klein gehouden door de Kerk. Wat doe ik nu verkeerd? Toch heeft de Kerkleiding het op een aantal plaatsten in de viering laten staan. Aan het begin, in de schuldbelijdenis, tijdens het Eucharistisch gebed en rond het Onze Vader een paar keer. Als we ons afvragen waarom de Kerk dat heeft gedaan dan moeten we ons afvragen waarom God het gebed van de tollenaar wel en dat van de farizeeër niet aanneemt.

Als wij de viering beginnen met een schuldbelijdenis, is dat niet omdat de Kerk ons zou willen inpeperen dat we toch maar slechte zondaars zijn. Niemand zit daarop te wachten. Het zou veel gemakkelijker zijn om mooi weer te spelen, wat zijn we allemaal toch aardig. Wat fijn dat we zo goed voor elkaar zijn, wat goed van u dat u elkaar zo steunt. Dat moeten we óók zeggen, natuurlijk. Maar het is Jezus die ons vertelt welke houding er nodig is om voor God te verschijnen.

Als we het een beetje overdrijven dan is de ene houding zoiets als dit: God, het gaat toch wel lekker, ik ben aardig tevreden over mijzelf en ik denk dat U over mij niet echt te klagen hebt. De dingen gaan goed, maar daar werk ik ook hard voor. Ik vind het fijn om even hier in de kerk te zijn en dat tegen U te zeggen. Ja, God, U kunt op mij rekenen, als er wat meer mensen waren zoals ik, zou de wereld er toch heel anders uitzien, maar ja, zo is het niet. Toch goed dat er nog een paar mensen zijn die het geloof in de praktijk brengen. Dank U wel, God.

Of: God, wat moet ik zeggen: Voor U hoef ik me niet anders voor te doen dan ik ben. U weet wat er omgaat in mijn hart, wat ik allemaal gedacht heb. U weet alles wat ik gedaan heb. Als U alles op de weegschaal zou leggen, wat zal het dan waard zijn. God, als ik kijk naar mijn doen en laten; bij U vergeleken blijft er weinig over om trots op te zijn. God, ik ben en blijf een zondaar. Wees mij genadig!

Er zouden honderden voorbeelden gegeven kunnen worden, steeds weer variaties op hetzelfde thema. De slotzin van het Evangelie is duidelijk. Niet de Kerk kleineert of demotiveert door kunstmatig een zondebewustzijn levend te houden. Dat zou ook niet kunnen. Het enige dat de Kerk doet is de oproep van Jezus herhalen: Alleen wijzelf kunnen ons hart in de juiste gesteldheid brengen. Niemand kan dat voor ons doen. Maar of je gebed wat uithaalt en of je band met God zich echt verdiept is daarvan afhankelijk. Want ieder die zich verheft, zal vernederd worden, maar wie zich vernedert, zal verheven worden’.

Mochten we de indruk hebben dat we van tijd tot tijd in de praktijk van ons leven soms teveel tollenaar zijn en in ons hart soms teveel farizeeër. Laten we dat dan straks in gebed brengen. Dan kan God ons zijn overvloedige genade schenken. Amen.

Back To Top