skip to Main Content

Kunnen wij geloven in de stad, dat zij toch weer een plaats van genade wordt, ja het zelfs al is? Dat kunnen wij, dat mogen wij geloven, mits we Jezus, Gods veelgeliefde Zoon in al zijn gedaanten leren herkennen.
B2000qdr02

Preek in de Begijnhofkapel in Amsterdam na afloop van de Stille Omgang, 18/19 maart 2000, 19.00/10.00 uur, door pastoor Michel Hagen, A.M.D.G.

Lezingen

E.L.: (zo.) Gen. 22, 1-2, 9a. 10-13. 15-18
EV.: Mc. 9, 2-10

Homilie

Geloven in de stad. Dat is de algemene gebedsintentie voor deze Stille Omgang in het jaar 2000. U proeft de dubbele betekenis. De eerste is: Gelóven in de stad, dat is gelovig leven in een stedelijk klimaat, in een stad wonen en je geloof bewaren. Dat is niet gemakkelijk. De ontkerkelijking in de steden is sterker dan in het platteland, voor zover we dat in Nederland nog hebben. De tweede betekenis is: Geloven in de stad. Je gelooft erin dat ook een stad nog mogelijkheden heeft, je gelooft in de stad, in de mensen die daar wonen, in de geschiedenis, je gelooft erin.

Welke betekenis de opstellers van deze intentie in gedachten hadden weet ik niet, maar beiden zijn waardevol. We zullen ze ook beiden aan bod laten komen.

In de stad leven en daar je geloof bewaren. Geloven binnen een stedelijk klimaat. Ik ben zelf geboren en getogen in Rotterdam, vannacht dus even een Rotterdammer in Amsterdam. Daar merkten we de leegloop van de kerken al in de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw. En dat een grote stad het niet gemakkelijk maakt om het geloof te bewaren merken we hier ook. De reacties op straat zijn elk jaar ongeveer hetzelfde, de een wat origineler dan de ander, maar ze komen op hetzelfde neer. “Wat is dat, waarom zeg je niets?” “O dat is zeker een sekte?” “Hé, jullie lopen verkeerd”.

Maar ze weten niet wat ze zeggen. Ze weten niet wat ze zien, ze weten niet wat ze meemaken, ze snappen er niets van. Net als Petrus. Over hem hoorden we in het Evangelie: ‘Hij wist niet wat hij zei’. Dat ging toen over het bouwen van tenten. Niet dat ik verwacht dat u ergens in Amsterdam net als Petrus een tent zou willen bouwen, of drie tenten. Dan is deze tent, dit oude en intieme Godshuis een betere tent om te blijven.

Geloven in de stad. Het is vandaag uiteindelijk net zo moeilijk als 655 jaar geleden. Toen was er ook een kwijnend geloof in de Eucharistie. Toen hebben ze hier in Amsterdam net als Petrus twee millennia terug, zo’n moment gehad dat ze een tent wilden opslaan rond het mirakel. Er is wel enige overeenkomst met dit Evangelie. De drie leerlingen ondergaan in de grootste verwarring de gedaanteverandering van hun Heer. Voor hun ogen zien ze zijn kleed witter dan wit worden. Hij straalt, Mozes en Elia staan erbij en ze praten met z’n drieën. Jezus verandert van gedaante. Het is een eigenschap van God die we vaker meemaken. Eens verscheen God in de brandende braambos. Hier in Amsterdam in 1345, was Jezus aanwezig in die andere gedaante, de gedaante van brood, de gedaante die we nog dagelijks mogen zien. Een gedaanteverandering waar we nooit aan wennen, die ons verstand blijft tarten, onze fantasie te boven gaat, en waarvan we de totale consequentie nooit zelf volbrengen.

Maar dat is niet de enige gedaanteverandering van Jezus die we kennen. Jezus noemt het al in het Evangelie. Hij zegt: “Spreekt er niet over voordat de Mensenzoon is opgestaan uit de doden”. Dat is zijn andere gedaanteverandering, zijn verrijzenis. Daarvan is dit moment op de berg al een voorproefje. Eens zal Jezus de dood overwinnen, dan zal Hij die hemelse glorie die je hier op de berg even ziet, voor eeuwig bezitten.

En dan zijn we er nog niet. Tussen deze gedaanteverandering op de berg en de gedaanteverandering in het graf ligt nog een andere gedaanteverandering, de gedaanteverandering in ons dagelijks leven, dat is Jezus als de dienstknecht. Zijn gedaante is niet om aan te zien, de gedaante van een slavenbestaan, geslagen bespuwd, gemarteld, verkocht, verraden, vals berecht, voortgejaagd, in het stof geworpen. De gedaante van de verschoppeling.

Kunnen wij Hem zien, in al die gedaanten? We zien Hem niet meer in zijn glorie. Het gaat niet goed met de Kerk in Nederland. We zien Jezus heerlijkheid niet, geen volle kerken, geen eerbetuigingen aan een Roomse Kerk, maar een schuldbelijdenis voor zoveel eeuwen waarin kerkmensen op allerlei manieren tekort zijn geschoten, waardoor Kerk en geloof ongeloofwaardig werden.

We zien Hem nog wel, …… in die gedaante van Brood, maar net als zes en een halve eeuw geleden hebben we er moeite mee om Hem te herkennen. Ons geloof blijft te klein, onze ogen blijven te verblind om Hem te kunnen zien.

Inderdaad, we zien Hem wel, ….. in de gedaante van de verschoppeling, de vluchteling. Maar ook daar hebben we moeite om Hem te herkennen, net als Petrus hebben wij moeite om te begrijpen wat er gebeurt. Al te gemakkelijk zien we in asielzoekers mensen die uit zijn op onze rijkdom, concurrenten die een deel van onze welvaartstaart komen afsnoepen.

Het blijft moeilijk, welke gedaante Hij ook aanneemt om bij ons te zijn. Geloven blijft moeilijk, of je nu in de stad woont of op het platteland, in Nederland of in de derde wereld. Tweeduizend jaar geleden. Zes eeuwen geleden of nu.

Maar, …. als zo zijn gedaanteverandering is, dan zou Hij zich ook kunnen verbergen in die leeggelopen, ongelovige, stad. Dan zou Hij ook de gedaante kunnen aannemen van zwervers, zelfs van de jongere die hier in het holle plezier wat vulling zoekt voor zijn lege bestaan, in anderen die daar geld aan verdienen, omdat ze zelf niets hogers zien. Dan is het mogelijk dat in deze woestijn een brandende braambos verschijnt waardoor opnieuw een stem klinkt, zoals eens bij Mozes: “Dit is mijn Naam, Ik ben er”. En op de berg vanuit de wolk. “Dit is mijn Zoon, luister naar Hem”, en daarna woordeloos bij het Mirakel in het haardvuur: “Dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt”.

Kunnen wij geloven in de stad, dat zij toch weer een plaats van genade wordt, ja het zelfs al is? Dat kunnen wij, dat mogen wij geloven, mits we Jezus, Gods veelgeliefde Zoon in al zijn gedaanten leren herkennen. Misschien dat we daarom deze nacht hier in deze tent zijn, in de Begijnhof. Niet wij bouwen tenten voor Hem. God heeft zijn tent onder ons opgeslagen in zijn Zoon. Jezus heet ons nu niet met drie maar met duizenden welkom bij zijn gedaanteverandering, zijn metamorfose. Dit wil Hij voor ons zijn: dagelijks brood, voedsel voor in de woestijn, verbondsbrood, tranenbrood, vreugdebrood, zijn vlees, Hij geeft zijn bloed, de beker van de gramschap en de beker van de vreugde, de beker van het Verbond de beker van de eenheid.

Geloven in de stad. Dat kan wanneer we geloven in God, in zijn Zoon, die alles in allen wil zijn, geen gedaante is Hem te min om ons te dienen, en geen glorie is daarom groot genoeg om Hem te verheerlijken. Met Hem is er hoop voor de stad en voor het platteland, voor het rijke Westen en het arme Zuiden. Door dit geloof kunnen wij ons geloof belijden en bidden om te geloven in de stad. Amen.

Back To Top