skip to Main Content

Preek in de parochiekerk van de H. Bartholomeus te Poeldijk. Door pastoor Michel Hagen. A.M.D.G.

B1999ADV04B

Thema: Een wonderlijk begin.
Zaterdag 19.00 uur: Cantor.
Zondag 10.00 uur: Gemengd Koor.

Lezingen

E.L: 2 Sam. 7, 1-5. 8B-11,16
EV: Luc. 1, 26-38.

Homilie/gewetensonderzoek

1.
We begonnen in de eerste lezing heel mooi met koning David. Hij zag de welvaart van zijn huis en dacht: “Daar moet God toch van meeprofiteren”. Hij zag zijn koninklijk paleis en dacht: “Gods huis mag toch niet minder mooi zijn dan mijn eigen huis. De glorie van Gods koningschap mag toch niet minder zijn dan de glorie van mijn koningschap. Ik bouw voor God een huis dat God waardig is”.

Een mooi begin ook voor een gewetensonderzoek. Op weg naar kerstmis onderzoeken we ons eigen hart. We kunnen onszelf meteen afvragen: Hebben wij diezelfde houding als David? Wat is Gods huis op aarde, de Kerk, ons waard? Hoeveel tijd zitten we achter de televisie, hoeveel tijd besteden we aan God, door gebed, Schriftlezing of studie? Hoeveel eer geven we aan de wereld, aan de wetenschap, aan de economie en hoeveel eer geven we aan God, in dienst aan Hem, aan de mensen, vooral de zwakkeren en de kwetsbaren onder ons. David zei niet: “De zorg die ik aan mijn land besteed, dat moet genoeg zijn voor God, de uren die ik als koning werk, zijn ook aan God besteed, mijn werken is toch ook bidden, mijn huis is toch ook Gods huis!” David zag helder dat in zijn werken als koning ook veel eer en genoegen, veel aanzien en glorie voor hemzelf lag. Hij werd zich bewust dat hij aan God aparte eer en aandacht verschuldigd was. Hoe staat dat met ons? Zo ook in het Evangelie. Daar in een klein gehucht, in Nazaret, in Galilea, daar maakt God het grote wonderlijke nieuwe begin. Daar vindt Hij bij een jonge vrouw de ruimte in haar hart, de geestelijke ontvankelijkheid, voor zijn initiatief.

Kijken we naar onszelf in vergelijking tot Maria. Of vinden we dat te hoog gegrepen? Zien we Maria als een onbereikbaar ideaal, of begrijpen we dat God met ons ook de weg van zijn genade wil gaan. Kijken we naar Maria en kijken we naar onszelf. Hoeveel ruimte bieden wij aan God in ons leven. Zijn wij net zo bescheiden als zij? Of vinden we dat God ons eigenlijk wel dankbaar mag zijn? Maar ook andersom; aanvaarden we net als Maria Gods uitnodiging om mee te werken aan zijn nieuwe begin? Of zien we onszelf als niet de moeite waard. Dan is het goed te weten dat God net zozeer oog heeft voor Poeldijk in het Westland anno 1999 als dat hij oog had voor Nazaret in Galilea in het jaar nul. Vertrouwen wij erop dat als wij ons inzetten voor God, dat Hij ook met ons, net als met David en Maria een nieuw en wonderlijk begin kan scheppen?

Zingen wij de eerste strofe van de litanie:

God, wij roepen uit de diepte: kom met uw woorden van troost en van vrede.
Heer, ontferm U over ons (herh.).

2.
We zijn op weg naar Kerstmis. We luisteren naar de groet van de engel aan Maria. “… Gij zult een Zoon ter wereld brengen en gij moet Hem de naam Jezus geven. Hij zal groot zijn en Zoon van de Allerhoogste genoemd worden. God de Heer zal Hem de troon van zijn Vader David schenken ….”.

Is God voor ons de Allerhoogste? En hoe zien wij Jezus? Is Jezus de Allerhoogste van alle mensen? Zien wij Hem echt als Zoon van de Allerhoogste? Zien wij Jezus als het absolute uitgangspunt voor heel ons leven, voor alles wat we doen en zeggen, wat we voelen en denken? Dan alleen nemen we dit woord van de engel serieus, dan alleen nemen we dit aanbod van God, de Allerhoogste aan. Of blijft God, blijft Jezus uiteindelijk toch marginaal in ons leven en zijn heel andere dingen in de praktijk van veel groter belang. Vinden we de moderne wetenschap toch van groter belang, en is de Bijbel toch wel wat achterhaald? Zetten we alles op Hem of is het leven van alledag zo sterk dat je zijn principes af en toe maar even opzij zet?

Vergelijken wij ons ook met Jezus, of vinden we ook dat te ver gezocht? Zoeken wij de levenshouding van Jezus, de houding die we ook zien bij zijn voorvader David? Jezus zal de troon van David ontvangen, dat is de troon die alleen God geeft, dat is geen mensen-troon, geen mensen-eer, geen mensen-macht. De troon van David, dat is een andere troon, de troon van Godsvertrouwen, van Godsgeloof, van dienstbaarheid en trouw. Dat is een troon die alleen God geeft en kan geven. Welke troon zoeken wij. Willen wij onze eigen eer bepalen? Onze eigen macht in handen houden? Of durven we het van God te laten komen?

Jezus zal in eeuwigheid Koning zijn, zegt de engel. Tegenover eeuwigheid staat beperktheid, tijdelijkheid. Staan we van tijd tot tijd stil bij de beperktheid van ons leven, bij de dood. Zoeken we in de eerste helft van ons leven zoveel mogelijk ons eigen leven op te bouwen, onze eigen maat te stellen? Of doen we dat zo, dat het past in Gods bouwwerk, Gods plan? Zoeken we in de tweede helft van ons leven nog zoveel mogelijk te genieten of juist zoveel mogelijk dienstbaar te zijn aan God? Stellen we onze levenservaring en ons geloof in dienst van de naaste of vinden we dat het tijd is geworden voor onszelf voordat het niet meer kan?

Zingen wij de tweede strofe van de litanie:
God, vergeef ons onze schulden, roep ons tot leven en wil ons verlossen.
Heer, ontferm U over ons (herh.).

3.
God schept een wonderlijk nieuw begin bij Maria. Hoe waarderen wij de maagdelijke levenshouding van Maria, zien we dat als een verouderd idee of als een levende vorm om je toewijding aan God uit te drukken. Hoe gaan we met gevoelige onderwerpen als deze om. Durven we een andere richting te gaan dan de grote massa? Spreken we dan steeds met terughoudendheid en respect, of wordt alles gaandeweg platvloers en banaal? Durven we te zwijgen als gesprekken een kant opgaan die niet passen bij de houding van Jezus? Weten we een gesprek een betere wending te geven of vinden we het wel leuk en doen grif mee?

Hoe gaan we om met de onvruchtbaarheid in een mensenleven, zoals Elisabet die tot op hoge leeftijd onvruchtbaar was? Zien we een kind als gave van God, of máken we een kind, en dwingen we de natuur te doen wat wij verlangen? Kunnen wij onvruchtbaarheid een plaats geven in ons leven, omdat God ook een andere vruchtbaarheid kan geven, een andere zin en betekenis aan ons leven? Hoe zien wij de komst van een kind, voornamelijk als vervulling van ónze wens, als uitwerking van ónze toekomstdroom, of eerst als een gave en opdracht van Godswege, om dit kind binnen te leiden in Gods plan, zoals Elisabeth deed met Johannes de Doper, zoals Maria heeft gedaan met Jezus.

Hoe gaan wij om met onze naaste, die beeld van God is, met de natuur die Gods schepping is? Staat het allemaal tot onze beschikking, staan wijzelf met onze verlangens en hartstochten centraal of staat God en de naaste centraal, staat alles tot onze dienst of zijn wij er ten dienste van hen?

Hoe gaan we om met moeilijkheden, met lijden, met angst en tegenslag? Proberen wij die houding van Maria mee te maken? Mij geschiede naar uw woord. Van Jezus, niet mijn wil maar Uw wil geschiede! Durven wij het leven aan, in vertrouwen op God? Zeggen wij mede: Zie de dienstmaagd des Heren, zie de dienstknecht des Heren? Zijn we soms juist jaloers op anderen wanneer het met hen beter lijkt te gaan?

Deze overwegingen sluiten aan bij de lezingen van vandaag. Er zijn er nog duizenden aan toe te voegen. Hoe gaan wij in het algemeen om met elkaar? Kunnen wij “sorry” zeggen en fouten toegeven? Kunnen we andersom een excuus van een ander aanvaarden en de zaak in vrede oplossen? Hoe gaan we om met ons bezit? Worden we steeds krampachtiger naarmate we meer hebben, of juist steeds guller, omdat we toch meer overhouden?

Laten we al onze eigen tekorten bij God brengen, dat waarover we ons schamen, waarin we vooruit willen komen, wat we soms verdringen of waarvan we zeggen: “dat doet toch iedereen”. Vragen we om helderheid en zuiverheid van Geest om Gods bedoeling steeds duidelijker te zien. Bezinnen we ons enkele ogenblikken in stilte.

………………….

Zingen wij de derde strofe van de litanie:
God, naar U zien wij uit als wachters, wees voor ons als het licht in de morgen.
Heer, ontferm U over ons (herh.).

Komen we nu dan naar voren om een kruisteken met wijwater te maken. Denken we terug aan dat wonderlijke begin van ons doopsel, toen wij door het water zijn gegaan. Toen God net als bij David en Maria ons zijn belofte heeft gegeven: “Jij zal mijn kind zijn”. Dit boetegebaar is niet gelijk aan het sacrament van de biecht en kan het niet vervangen, maar als we dit gebaar in oprechtheid maken zal God ook op onze kleinheid genadig neerzien. Amen.

Back To Top