Kent u het boek Job? Het begint met een verhaal (Job 1, 6-12): “Op de dag dat de hemelingen gewoonlijk bij GOD hun opwachting maken, kwam ook Satan met hen mee. En GOD zei tot Satan: ‘Waar ben je allemaal geweest?’ ‘Ik heb rondgezworven over de aarde’, antwoordde Satan. ‘Wel,’ vroeg GOD,’ heb je ook gelet op Job, mijn dienaar? Op aarde is er geen tweede zoals hij, onberispelijk, rechtschapen, hij vreest God en houdt zich ver van het kwaad.’ Satan gaf ten antwoord: ‘Hij vreest God niet voor niets! Gij hebt hemzelf, zijn familie en heel zijn bezit aan alle kanten omgeven en beschermd, Gij zegent al wat hij onderneemt, en zijn bezit grijpt steeds verder om zich heen in het land. Maar pak hem eens aan, tref hem in al wat hij heeft: wedden dat hij U vloekt in uw gezicht.’ Toen zei GOD tegen Satan: ‘Goed, al wat hij heeft is in jouw hand, alleen van hemzelf moet je afblijven.’ En Satan verliet de vergadering.”
Dat is het begin van een eindeloze reeks tegenslagen die Job daarna dag na dag te verwerken krijgt. God liet dus toe dat Job door Satan op de proef werd gesteld. Verderop in het verhaal hoor je hoe zijn kinderen verongelukken, hoe zijn bezit wordt gestolen, hoe Job uiteindelijk niets meer overhoudt. Dan is de vraag: Houdt zijn eerbied voor God nog steeds stand? Als Satan hem ook in zijn gezondheid mag treffen zal Job op een goed moment luidop zijn bestaan vervloeken (Job 32-5): “Weg met de dag waarop ik werd geboren, weg met de nacht die mijn ontvangenis zag. Die dag – duisternis had hij moeten blijven; God in den hoge mag hem vergeten, laat er geen licht over stralen; stikkedonker mag hem hebben …” Uiteindelijk zal het weer goed komen met hem, maar ook Job, die zo onberispelijk was, moet zijn woorden terugnemen.
Wie houdt stand in de beproeving? Beproevingen zijn onvermijdelijk in ons leven, in zekere zin zijn ze zelfs nodig. Iedere mens wordt anders beproefd. Iedere mens is gevoelig voor andere bekoringen en de satan zal ieder mens dan ook aanpakken op zijn of haar kwetsbaarste punt. We moeten onderscheid maken tussen de gewone beproevingen van het leven die ieder mens, gelovig of niet gelovig, meemaakt en de beproevingen die direct onze relatie met God betreffen.
“Breng ons niet in beproeving.” Jezus leert ons dat te vragen in het “Onze Vader”. We vragen in feite dat God de beproeving niet groter laat zijn dan nodig is, dat Hij ons niet boven onze macht beproeft en ons kracht geeft om stand te houden in de beproeving die niet te vermijden zijn. Dat mogen we op beide soorten beproevingen toepassen, want vaak loopt de één over in de ander. We vragen dat we de gewone beproeving van het leven aankunnen, ja zelfs anderen kunnen helpen om stand te houden. En we vragen dat God ons spaart van de belangrijkste beproeving; de beproeving waardoor we geneigd zijn onszelf van God af te keren, andere wegen te gaan dan zijn wegen. De bekoring waardoor wij beproefd worden in onze trouw aan God.
Pastoor Michel Hagen