“Je kunt me wat, mij zie je niet meer; jij dwars, ik nog dwarser, jij boos, ik nog bozer”. Oog om oog, tand om tand. Lik op stuk. Jaren geleden zag ik een mini stripverhaal. Een vader staat met zijn pet in zijn hand bij de directeur. Hij wordt uitgefoeterd: “Jansen, je bent ontslagen”. Jansen komt thuis en scheldt zijn vrouw overhoop, alsof het haar schuld is. Moeder geeft haar zoontje de volle laag. Het zoontje geeft de kat een harde schop. De kettingreactie van het kwaad. Het ene kwaad roept het andere kwaad op. Dit zien we op allerlei momenten; in het groot en in het klein.
Hoe anders klinkt het in de mond van Jezus: “… dan zult ge kinderen zijn van de Allerhoogste, die immers ook goed is voor de ondankbaren en slechten (Lucas 6, 35-36)”. God is goed. God is altijd goed voor iedereen, ook voor slechte mensen. Voorspoed en tegenslag bereikt iedereen, ongesorteerd. De één veel, de ander weinig. Wij zouden het waarschijnlijk graag anders willen. Dat het goede alleen bij goede mensen komt en het slechte alleen bij slechte mensen. Dat noemen wij rechtvaardig. Uit Jezus’ opmerking blijkt dat God voorrang geeft aan goedheid boven rechtvaardigheid. Hij wil goed zijn net als zijn Vader, zelfs voor slechte mensen. Dat is op zich niet zo ingewikkeld te begrijpen; Jezus is niet anders dan zijn Vader. Wat daarna volgt is veel lastiger. Jezus plaatst een oproep in zijn Evangelie: Doe net als Ik. Doe net als God. Wees zo goed als God. Hoe? Bemin je vijanden. Doe goed aan wie je haten, zegent degenen die je vervloeken, bid voor wie je mishandelen. De omgekeerde wereld; slaat iemand je, keer ook je andere wang toe.
Doet u dat? Deed Jezus dat zelf? Niet letterlijk. Wanneer Hij voor de hogepriester staat en één van de knechten slaat Hem met de vuist in het gezicht, zegt Jezus: “Waarom slaat gij Mij? (Joh. 18, 23)”. De andere wang toekeren is dus figuurlijk bedoeld. Het betekent dat je kwetsbaar blijft, dat je niet hard tegen hard reageert. Jezus geeft maar één antwoord op het kwaad: Doe goed! Doe mateloos goed! Doe goed aan goede mensen en doe goed aan slechte mensen. Probeer op God de Vader te lijken die altijd goed is, die liever goed is dan rechtvaardig. Probeer op Jezus te lijken. Het mooiste voorbeeld geeft Hij op het kruis, als Hij daar sterft, bidt Hij: “Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen (Lucas 23, 34).” Hij vergoelijkt zijn eigen moordenaars. Hij vergeeft het hun.
Het is heel moeilijk te bidden voor degene die je iets heeft aangedaan. Toch zegt Jezus het: “Bemin je vijanden en doe goed aan wie je haten!” Mensen die niet kunnen bidden voor hen die hen kwaad hebben gedaan, genezen zelf innerlijk maar moeizaam. Wie voor zijn tegenstanders bidt, overwint ook de pijn en de verwondingen in het eigen hart. Jouw levende hart tegenover de harde kop, goedheid tegen koppigheid, liefde tegen haat. Jezus leert ons: Wil je op God lijken, durf dan sterk te zijn in de zwakke krachten. Zoek je kracht in goedheid. De mensen zullen het je niet meteen belonen, God wel. Een goede, gestampte, geschudde en overlopende maat zal God voor jou gebruiken.
Pastoor Michel Hagen