Als het gaat om de regels van de Kerk, hanteren veel katholieken een zekere afstand. Zo maakte iemand de opmerking: “Is de Kerk er nu voor de mensen of zijn de mensen er voor de Kerk?” De spreker bedoelde dat iedereen toch wel begrijpt dat de Kerk er voor de mensen moet zijn en haar regels dus moet aanpassen naar de wensen van mensen.
Een vraag als deze bevat een valkuil, het is een dit-of-dat-vraag. Wat voor Kerkbeeld, wat voor idee over de Kerk, speelt hier op de achtergrond mee? Wanneer je niet oppast, sta je klem en lijkt het of je voor de mensen of voor de Kerk moet kiezen, want ze worden tegen elkaar uitgespeeld.
Zo’n vijftig jaar geleden kwamen de eerste geluiden op dat “wij” de Kerk zijn. Bedoeld werd daarmee dat leken ook hun zegje mochten doen en niet alleen de clerus het voor het zeggen had. Daartegenover staat in onze tijd het beeld van de Kerk als service-instituut. De Kerk moet leveren waar mensen om vragen, van doopsel tot ziekenzalving; de consument bepaalt, de klant is koning. Bij huwelijken, eerste communie en uitvaarten kom je deze houding soms tegen.
Terug naar de vraag: “Is de Kerk er nu voor de mensen of zijn de mensen er voor de Kerk?” Als we de woorden “Kerk” en “mensen” eens vervangen door “ouders” en “kinderen”, wordt het dan iets duidelijker? “Zijn de ouders er nu voor de kinderen of zijn de kinderen er voor de ouders?” Meteen denk je, dat is een gekke vraag, die horen toch bij elkaar? In je jeugd zijn je ouders er meer voor jou, in de ouderdom ben jij er meer voor hen, maar als er liefde is speelt heel die vraag niet.
Vervangen we het woord “Kerk” door “God”, dan klinkt het weer anders. “Is God er nu voor de mensen of zijn de mensen er voor God?” God zegt: “Wees niet bevreesd, want Ik ben met u …” (Jesaja 41,10). Als we luisteren naar Jezus, dan zegt Hij: Het eerste gebod is: “Gij zult de Heer uw God beminnen met geheel uw hart, geheel uw ziel, geheel uw verstand en geheel uw kracht” (Marcus 12,30). Het lijkt op de vraag die Jezus ooit werd gesteld: Moeten we aan de keizer belasting betalen? Hij antwoordde: “Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en geef aan God wat God toekomt” (Marcus 12,17). Met andere woorden: De keizer heeft een zeker recht op het muntgeld. God echter heeft recht op jou als persoon, jouw ziel, jouw verstand, jouw hart, jouw liefde, jouw vreugde, Hij heeft recht op jouzelf.
“Is de Kerk er nu voor de mensen of zijn de mensen er voor de Kerk?” Daarin lijkt de Kerk een leverancier op een religieuze markt. De Kerk is echter het levende Liefdes-Verbond van God met de mensen. De Kerk is het Lichaam van Christus. De Kerk is het wonderlijke samenspel van God met zijn Volk. De Kerk is heilig en draagt tegelijk zondaars in haar schoot. De Kerk is heel de geschiedenis lang steeds weer mensenwerk, maar daarin en daarbovenuit nog veel meer Gods werk. Wij zijn met Christus en de heiligen samen de Kerk. Hoe kun je dan vragen: “Is de Kerk er nu voor de mensen of zijn de mensen er voor de Kerk?” Een vraag kan soms helpen je in het mysterie te verdiepen van God met de mensen; het mysterie van zijn Kerk.
Pastoor Michel Hagen