Skip to content

Er was eens een jonge prins die woonde op een groot kasteel. Dagelijks kwamen er prinsessen en koningen, prinsen, ridders, en allerlei belangrijke mensen over de vloer, de één nog mooier of belangrijker dan de ander. De prins zou eens koning worden, maar daarvoor moest hij eerst trouwen. Daarom ging de prins op een goede dag op reis en iedereen sprak erover.
Op het paleis werkte een bonte verzameling aan lakeien, koks, timmerlieden, schildwachten en schrijvers. De één had een mooie carrière gehad, de ander een mindere. Een timmerman had ooit een ander het hoofd ingeslagen, een kokkin had eens haar baas beroofd, een jongeman werd overal weggestuurd omdat hij steeds brokken maakte en een meisje van het platteland was aangenomen, die niets van kastelen wist. Sommigen hielden echt van de prins, anderen deden alleen hun werk.
Toen de prins toch wel erg lang wegbleef begonnen sommigen te mopperen: “Had hij geen vrouw van hier kunnen kiezen?” De één na de ander begon het kasteel te verlaten. Op een paar na: De oudste timmerman en de kokkin hielden van de prins, alsof hij hun eigen zoon was. Ben, de jongste schildwacht, zag in hem zijn grote broer en voorbeeld. Mirjam, de oudere zus van de schildwacht, deed alles voor haar prins, een trouwere hulp was er niet.
Op een dag komt er een bericht; de prins wordt terug verwacht. Het kasteel is in rep en roer. De laarzen worden gepoetst, de stoelen in de boenwas gezet, de maaltijden zo ver mogelijk voorbereid. Iedereen is op zijn paasbest. Ben had voor het eerst een echt uniform aan en Mirjam had haar mooiste jurk tevoorschijn gehaald. Met wat voor bruid de prins ook zou komen; zij zouden blijven.
Als ze ’s avonds laat in de verte het stappen van een paard horen, worden snel de lampen hoger gedraaid, de oven heet gestookt en iedereen staat klaar. De soldaat in de toren roept: “Het is de prins.” De prins komt binnen en iedereen is blij, maar ook verbaasd. Want waar is de nieuwe prinses? Als de prins alle verbaasde gezichten ziet, zegt hij: “Maar wisten jullie dan niet wie de bruid is?” Hij loopt naar Mirjam toe en zei: “Wil jij mijn bruid zijn?”. Tegen Ben zegt hij: “Wil jij mijn jonge broer zijn?” En tot de timmerman en de kokkin: “Willen jullie mijn vader en moeder zijn?” Mirjam valt bijna flauw in de armen van haar prins, Ben gloeit van trots, de timmerman en de kokkin pinken allebei een traan weg. Dan zegt de prins: “En nu gaan jullie aan tafel en ik doe de rest.” Ze willen nog protesteren, maar daar is geen beginnen aan. De wereld is omgekeerd. Het feest is begonnen.

Jezus is die bruidegom en de Kerk is de bruid. Zo hoog acht Hij ons, zo lief heeft Hij ons, zo diep gaat Hij voor ons. Ons leven is geen sprookje en toch wel. Hij nodigt ons aan zijn Tafel en Hij is het die ons bedient, die ons van zijn leven meedeelt. Hij maakt ons tot bruid, tot vriend, tot broeder, zuster en moeder. God heeft een perspectief voor ons, waarin de wereld wordt omgekeerd. Wat hier klein en onopvallend is, blijkt van het grootste belang te zijn. De wereld omgekeerd, als God onze schat is, zal blijken dat Hij het is die ons dient.

Pastoor Michel Hagen

Back To Top